Wat is damgeschiedenis?

 Stel dat je geschiedenis in je pakket hebt en een scriptie wilt schrijven over zeg graaf Floris V van Holland, de ridder rechts. Je vindt dan op het internet genoeg informatie voor een scriptie die je een zesje oplevert. Maar geschiedenis is je lievelingsvak en je wilt minstens een acht. Dan zul je naar de bibliotheek moeten om daar een of meer dikke boeken te lenen. Dat wordt ploeteren.

 Maar wat dacht je van de schrijver van zo'n boek? Floris V werd in 1296 vermoord. De boeren droegen hem op handen, maar de ridders mochten hem niet, en de Friezen konden zijn bloed wel drinken. De schrijver van het boek moet jarenlang onderzoek doen naar allerlei politieke toestanden in de 13e eeuw, de verhoudingen tussen de boerenstand en de adel, de relatie tussen Holland en Friesland en noem maar op. Dat is ploeteren. Daarna ploetert hij of zij jarenlang op zijn of haar boek. Want jij eist als lezer een boek dat leesbaar is, niet een boek waarvan je wanhopig wordt omdat het zo slecht geschreven is.

 Misschien denk je: 'Damgeschiedenis is een stuk simpeler dan een boek over Floris V'. We willen het niet mooier voorstellen dan het is: het is niet waar.  Ook over de geschiedenis van het damspel zijn dikke boeken geschreven. Ook de schrijvers van die boeken hebben jarenlang onderzoek gedaan en toen nog jarenlang geploeterd op hun boek. Waarom dat nodig is leggen we uit.

 Volgens sommige damhistorici en sommige schaakhistorici is het damspel een kind van het schaakspel, is het in de middeleeuwen uit het schaakspel voortgekomen. Ze wijzen op de overeenkomsten tussen dammen en schaken. Het geruite bord. De promotie van de schaakpion en de promotie van de damschijf. Het woord dame, dat in het Frans 'schaakkoningin' en 'dam in het damspel' betekent. Die zijn door dammers van schakers overgenomen, zeggen ze.

 En neem het damspel in Nederland. Hoe zijn wij hier aan dat spel gekomen? In de 18e eeuw wordt gesproken over Spaans dammen en Pools dammen. Waren er toen twee damspelen en kwamen die uit Spanje en uit Polen? Wat voor damspelen werden er toen in Spanje en Polen gespeeld?

 Tegenwoordig beschouwen de meeste mensen het schaken als een bijzonder spel, dammen is in hun ogen veel gemakkelijker. Wanneer op een bepaalde schaakclub in Rotterdam iemand een blunder maakt, zeggen ze plagend tegen hem: "Je lijkt wel een dammer". Die lui zien schaken dus als een superieur spel. Maar dat is nu, was het vroeger ook zo?

 Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moeten we veel weten van de geschiedenis van het schaakspel: is het damspel jonger dan schaken, en zou het inderdaad uit het schaakspel zijn voortgekomen? We moeten ook veel weten van de geschiedenis van de taal: klopt het dat wij dammers de naam dame van schakers hebben overgenomen? Etymologie heet dat, uitzoeken waar een woord vandaan komt. We moeten veel weten van geschiedenis in het algemeen. We moeten veel weten van het damspel in allerlei landen. En zo is er nog meer, heel veel meer.

 

Waar komt ons dambord vandaan?

 

 Wij dammen op het bord linksonder. Dat bord is vrij nieuw. We noemen dat het grote bord. Daarvóór damden we op het kleine bord rechtsonder, het schaakbord. In een heleboel landen dammen ze nog altijd op het kleine bord, zoals in Engeland. In landen als Rusland en Italië zijn beide borden in gebruik.

               

                     

 Het damspel in Engeland heeft andere spelregels dan het onze. De dam bijvoorbeeld mag maar één vakje voor- of achteruit spelen en slaat zoals de schijf in ons spel. Zo'n dammen noemen we een korte dam. De schijf slaat alleen vooruit. Het damspel in Spanje is een kruising tussen ons damspel en het damspel in Engeland: het wordt gespeeld met onze lange dam ˗lang omdat hij hele diagonalen bestrijkt˗, maar de schijf slaat alleen vooruit. En zo zijn er een heleboel verschillende damspelen.

 Waar komt ons grote bord nu vandaan? Op allerlei sites vind je een verhaal dat teruggaat op wat de in Parijs wonende dammer Manoury in zijn damboek van 1787 had geschreven. Het was zijn tweede boek. Hij had al eerder een damboek uitgegeven, in 1770. Hieronder het titelblad van zijn tweede boek, met daarop zijn beroep vermeld: Marchand Limonadier, dat betekent iets als 'eigenaar van een koffiehuis'.

 Een koffiehuis, wat was dat? Koffie en thee zijn voor ons de gewoonste zaken van de wereld. Maar West-Europeanen drinken koffie en thee pas sinds zo'n 300 jaar. In landen als Turkije kenden ze koffie en thee al veel langer. Vanaf 1650 trokken handelaren uit Zuidoost-Europa naar het westen om daar een café te beginnen waar de mensen een kopje koffie en thee konden drinken. Café is een Frans woord en betekent letterlijk 'koffie'.

 In de 18e eeuw was een café oftewel een koffiehuis een deftige bedoening, heel anders dan een café in onze tijd. Het koffiehuis werd bezocht door lieden uit de betere standen. De heren aten wat, dronken wat, lazen de krant, praatten over politiek, en deden spelletjes: een potje dammen, een potje triktrak of een potje schaken. Vrouwen zie je er niet; die bleven thuis om toezicht te houden op het dienstmeisje, de kok en de gouvernante. De gouvernante was een een jonge vrouw die de kinderen rekenen, lezen en schrijven leerde. Een au pair en schooljuffrouw tegelijk.

 Er waren koffiehuizen waar schakers en dammers elkaar opzochten. In Parijs kwamen schakers bijeen in Café de la Régence. Op internet kun je daar plaatjes van vinden.

 Parijse dammers kwamen bij elkaar in het koffiehuis van Manoury. Café Manoury heette het. De tekening hieronder, gemaakt door Jacques F.R. Trenton de Vaujuas, dateert van ongeveer 1772. In het midden maakt de eigenaar staande een praatje met de sterkste dammer van zijn tijd, ene Blonde. Blonde, met hoed, is binnengekomen met een wandelstok. Op de tekening zie je meer heren met wandelstokken, die waren toen in de mode. Zoals je ziet dragen de heren pruiken, een teken van welstand.

 

Wat Manoury vertelde over het grote bord

 In Frankrijk, schreef Manoury, dam je op het kleine bord of op het grote bord. Dammen op het kleine bord is het oudste. De Fransen damden op het kleine bord volgens de regels die nu nog in Engeland gelden. Omstreeks 1725 damde iedereen in Frankrijk nog op het kleine bord, maar dat veranderde door een toerist uit Polen die Parijs bezocht. Dat was een dammer. Hij liep een officier uit het Franse leger tegen het lijf die ook dol op dammen was, en de heren sloegen aan het spelen. In een van de partijen zagen ze een schitterende slagzet schemeren. Maar helaas ging die niet op, daarvoor zou het bord groter moeten zijn. De Fransman kon toevallig goed knutselen, zaagde thuis uit een plank een vierkant bord en tekende er met rood krijt 50 velden op. De volgende dag ging hij met dat bord onder de arm en met 2x20 schijven naar de afgesproken plaats. Ja, die combinatie van gisteren konden ze nu uitvoeren. De Pool greep de officier bij de mouw: "Kijk eens", riep hij, "als een schijf ook achteruit mag slaan wordt de combinatie nog veel mooier". En hij voerde de combinatie uit. Dat was een heel nieuwe uitvinding, dat achteruit slaan. "Laten we een partij spelen waarin de schijven achteruit mogen slaan", stelde de Fransman voor. De Pool knikte toestemmend. Ze gingen aan het spelen, maar ontdekten al spoedig dat een korte dam bijna niets meer waard is wanneer de schijven achteruit slaan. Nu kreeg de Fransman een briljant idee: "Als we nou de korte dam eens meer bewegingsvrijheid geven, er een lange dam van maken". De Pool stak instemmend zijn duim op en met die nieuwe regel vervolgden ze de partij. Ze damden tot laat in de nacht door, want tsjonge tsjonge, wat een prachtig spel hadden ze verzonnen.

 Ze leerden het nieuwe damspel aan iedereen die van dammen hield, en dat waren er nogal wat. In een mum van tijd wilde heel Parijs dammen op het grote bord, de meubelmakers konden de opdrachten om een bord met 100 ruiten te maken niet aan. En al spoedig veroverde het nieuwe spel geheel Frankrijk.

 Wel geheel Frankrijk, maar niet iedereen. Want sommige oudere dammers vonden het maar niks, een nieuw spel leren, die bleven het oude vertrouwde damspel spelen.

 Wanneer je hartje zomer een lange wandeling maakt en ergens op een hoek een ijscoman met zijn kar ontdekt, is het tijd voor een rustpauze en een ijsje. De ijscoman heeft twee smaken: frambozenijs en vanille-ijs. Dat is wel handig, die namen, want anders weet de ijscoman niet wat voor ijsje je wilt. Toen er in Frankrijk twee soorten damspel werden gespeeld, was het natuurlijk handig dat ze elk een eigen naam hadden. Voor de naam van het nieuwe spel zorgde de Franse officier. Om de Poolse toerist de eer te geven die deze toekwam, bedacht hij de naam Pools dammen. Het spel op het kleine bord kreeg toen ook een eigen naam: Frans dammen, in het Frans dames à la françoise, later à la française.

 Dit was het verhaal dat Manoury in 1787 presenteerde. Hij wijdde zijn twee boeken aan het Pools dammen. In het Frans van toen dames à la polonoise, kijk maar naar de titelpagina.

 Manoury's verhaal is aardig, en zo'n aardig verhaal vertel je natuurlijk op een toernooisite of waar dan ook graag na. Qua tijd lijkt het ook wel te kloppen. In 1668 had de Fransman Pierre Mallet, ook een inwoner van Parijs, het eerste Franse boek over dammen uitgegeven, en die kende maar één Frans damspel, dat op het kleine bord. In het boek over bordspelen van de Engelsman Harold Murray uit 1952 en in het boek over de geschiedenis van het damspel van de Nederlander Wendel Kruijswijk uit 1966 over de geschiedenis van het damspel vind je het verhaal dan ook terug als historische waarheid. Sinds 1966 is er echter heel veel onderzoek gedaan naar het damspel in het verleden. Jammer en helaas, er deugt niks van wat Manoury vertelde.

 

Drie dammende Franse prinsjes

 Een jaar of twintig geleden was er een tentoonstelling in een Italiaans museum over kleding, en daar dook onderstaand schilderij op van drie kleinzoons van koning Lodewijk XIV van Frankrijk. De schilder is onbekend. De catalogus besprak de kleding van het drietal. De kinderen zijn nog geen tien, was, de conclusie, want ze dragen kinderkleren. Zodra een kind tien jaar oud was, kreeg het dezelfde kleren als volwassenen. Weten we wie het zijn? Ja. Links staat Lodewijk, graaf van Bourgondië, geboren in 1682. In het midden zit Karel, hertog van Berry, geboren in 1686. Rechts staat Philip, hertog van Anjou, geboren in 1683. Hij schopte het tot koning van Spanje: Filips V. Vanwege hun kleren viel na te gaan wanneer ze voor de (onbekende) schilder poseerden: dat was tussen 1688 en 1690.

 De catalogus had alleen belangstelling voor de kleding, maar wij vanzelfsprekend niet, want wat zien we?: een bord met 100 ruiten! Hieronder zie je het bord met schijven in detail. De witte schijven staan op de donkere velden, de zwarte schijven op de lichte velden. Op die manier damden de prinsjes natuurlijk niet, maar zo kwamen de schijven op het schilderij beter uit.

 Het 100-ruitendammen was dus omstreeks 1690 aan het Franse hof bekend. In 1668 kende Pierre Mallet het niet. Conclusie: het grote bord raakte in Frankrijk bekend in de periode 1670-1685.

 

Een Frans woordenboek uit 1710

 We zeiden het al, een koffiehuis trok deftige bezoekers. Ook het koffiehuis van Manoury. Een van de bezoekers was de geleerde Charles-Marie de la Condamine (1701-1774). Dat was niet zomaar iemand: hij was lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Nou, dan betekende je wat. Net na 1730 bezocht De la Condamine met een schip ˗een zeilschip, stoomschepen waren er nog niet˗ een aantal landen in het Midden-Oosten. Na terugkomst publiceerde hij over zijn reis een boek dat indruk maakte op de leden van de Academie. Die man kon je om een boodschap sturen! In 1735 kreeg hij daarom opdracht naar Peru te reizen om de lengte op te meten van de meridiaan die we over de evenaar trekken. Pas in 1743 keerde hij terug. Hij had nog wat anders gedaan dan meten, had onder meer een vier maanden durende bootreis over de Amazone gemaakt, gevaren als stroomversnellingen en watervallen dapper trotserend. Ook daar schreef hij over, in het eerste wetenschappelijke verslag ooit over deze rivier. Het laatste deel van zijn leven vocht hij voor vrijwillige inenting tegen pokken. Als kind had hij de pokken overleefd, vandaar, de meeste kinderen gingen er aan dood.

 De la Condamine was verzot op dammen. Hij deed onderzoek naar de herkomst van Pools dammen, maar tevergeefs. Daarom deed hij in 1770 in een krant een oproep: wie kon hem iets vertellen? Hier zijn portret. Let op zijn staartje, dat je ook ziet bij sommige bezoekers op de plaat van Café Manoury.

 Waarom gaan we zo uitgebreid op de verdiensten van De la Condamine in? Wel, omdat hij bewijst dat een man in zijn hoge positie damde. In de meeste boeken wordt het schaakspel voorgesteld als het enige spel dat werd gespeeld door de elite, maar dat is dus niet waar. Aan het Franse hof werd gedamd, dat bewijzen de drie prinsjes. Op de gravure onder van de graveur Robert Bonnart zijn de prinsjes aan het triktrakken. Links zit weer Lodewijk, Philip zit nu in het midden. Aan het hof werd dus gedamd en getriktrakt, maar een plaat waarop de jongetjes schaken is niet bekend. Schaken is een mooi spel, waarop schakers terecht trots zijn, maar wat meer bescheidenheid is wel op zijn plaats.

 Manoury was al jong in een koffiehuis gaan werken en had niet veel opleiding gehad. Het stuk in zijn boek van 1787 waarin hij schrijft over de geschiedenis van het 100-ruitenspel is geschreven door iemand met een hoge opleiding, zeggen Fransen die het kunnen weten, dat kan Manoury nooit zelf hebben gedaan. Dan kun je dus maar aan één figuur denken: aan Charles-Marie de la Condamine, die Manoury aantekeningen had overhandigd.

 Om zich in het Midden-Oosten en in Zuid-Amerika met succes te kunnen bewegen, moet De la Condamine meer talen dan alleen Frans hebben gesproken. Nederlands heeft hij kennelijk nooit nodig gehad, anders had hij ontdekt dat Pools dammen al in 1710 bekend was. In dat jaar kwam er in Amsterdam een Frans-Nederlands woordenboek uit dat was geschreven door een Franse schoolmeester die zich in Nederland had gevestigd, ene Pierre Marin. Onder Dame behandelde Marin ook de Franse naam voor damspel, jeu de dames. Marin schreef ook voorbeeldzinnetjes. Zoals dit: "Sçavez vous damer à la polonoise? Kend gy op zyn Pools dammen?". Er was al het schilderij van de Franse prinsjes, en daar komt nu dit woordenboek bij. Volgens Manoury is de naam Pools dammen ontstaan in 1725. Nee dus. Manoury's verhaal over het ontstaan van het 100-ruitendammen klopt van geen kant.

 

Frankrijk of Nederland?

 Zowel de Fransen als de Nederlanders kenden begin 18e eeuw de naam Pools dammen. Is dammen op het grote bord uitgevonden in Frankrijk tussen 1670 en 1685 en werd het daarna naar Nederland geëxporteerd? Is het 100-ruitenbord een Nederlandse vinding waarmee Franse dammers kennis maakten in de periode 1670-1685? Of komt het bord uit een derde land? Een blik op het Nederlandse damleven vanaf de eerste helft van de 16e eeuw, dus vanaf ongeveer 1550, levert misschien een antwoord op.

 

 

Dammen in Nederland

 

Inleiding

 Uit Frankrijk en Engeland hebben we gegevens over het damspel in de laatste 500 jaar van de middeleeuwen ˗onder de middeleeuwen verstaan we de periode 500 tot 1500˗, en de positie van het damspel in laat-middeleeuws Spanje kunnen we reconstrueren. Zoals we nog zullen zien werd in Frankrijk in de periode 1000-1500 druk gedamd. De Nederlanders waren in die tijd sterk op Frankrijk gericht, en dus zullen onze verre voorouders het spel in die tijd ook wel hebben gespeeld. Maar zeker weten we het niet, want er is niets bekend over dammen op ons grondgebied in de middeleeuwen. We hebben pas informatie vanaf de 16e eeuw.

 

Dammen op het kleine bord

 In de 16e eeuw kenden alle Nederlanders het damspel, dus niet alleen de hogere standen. In een boek met spreekwoorden uit 1550 stond een spreekwoord dat op dammen betrekking had. De taal is van iedereen, voor oud en jong en voor hoog en laag, en dat spreekwoord was dus voor iedereen begrijpelijk. En dit betekent dat iedere Nederlander in die tijd wist wat dammen was.

 Het spreekwoord luidde: "Men kan poffen en blazen". Poffen is hetzelfde woord als puffen, dus als blazen. Wat is blazen? Blazen was een toen geldende spelregel die rond 1900 is afgeschaft. Er waren meer van die malle gebruiken waarvan we niet weten waar ze vandaan komen. Vergat je met een stuk te slaan dan pakte je tegenstander het stuk van het bord, ertegen blazend. Wanneer je vroeger de partij verloor zonder dat je dam had gehaald moest je met je nagels over de onderkant van het bord krassen. En een schaker die vergat te slaan, moest het betreffende stuk een zoen geven.

 

 Dammen op het kleine bord en dammen op het grote bord gebeurde in Nederland met dezelfde spelregels. Tussen 1575 en nu is er slechts één nieuwe spelregel bedacht: het blazen werd afgeschaft, slaan werd verplicht. Daardoor veranderde het dammen in hoge mate van karakter: het werd een combinatiespel. Ga maar na. Met wit aan zet zie je een combinatie naar dam. Je speelt 1. 27-22 18x27 2. 37-31 27x36 3. 47-41 36x47 4. 44-40. Volgens onze regels moet de zwarte dam nu naar 29 slaan en dan win je. Met de blaasregel verlies je! Zwart slaat dankbaar (18x27), (27x36) en (36x47), maar weigert de slag (47x29). Je moet daarop de dam van het bord nemen, ertegen blazend. Daarna tel je de schijven en blijk er twee achter te staan!

 Met de blaasregel win je dus alleen een stuk wanneer je een één om twee of een één om drie uitvoert. Dammen was vroeger een heel ander spel dan tegenwoordig.

 

 Hieronder zie je een Franse spotprent uit de eerste helft van de 19e eeuw. De speler rechts is des duivels, je ziet het aan zijn horentjes: hij heeft vergeten te slaan en dat kost hem een schijf. Zijn tegenstander heeft de schijf al in zijn hand en blaast ertegen. Het Franse woord voor schijf was toen dame, hetzelfde woord als voor 'vrouw'. De heren zijn zo verdiept in het spel dat ze niet in de gaten hebben wat er intussen gebeurt: een jonge man gaat er vandoor met de dame van de speler rechts. De dame van vlees en bloed verdwijnt van het toneel, net als de dame van hout op het dambord. Dat is dubbel pech hebben.

 

Dammen op het grote bord met 2x15 schijven

 Ook uit inventarisaties kunnen we opmaken dat dammen in de 16e eeuw in ons land populair was. Wanneer vroeger iemand trouwde of overleed, beschreef een notaris of diens klerk nauwkeurig wat iemand bezat. Dat heet een inventarisatie maken, de inventaris beschrijven. Wij kopen gemakkelijk nieuwe kleren of een nieuwe pan voor in de keuken. Maar zaken als kleren, bedden, potten en pannen, kasten en dergelijke kostten vroeger aanzienlijk meer dan tegenwoordig, de mensen moesten er lang voor werken. Jij kijkt niet eens naar de kleren van een oude oom die is overleden, maar dat was vroeger anders: voor zijn neven was dat een buitenkansje! Een dambord was een meubelstuk, en dus kwam een dambord op de lijst van de notaris terecht. En vanzelfsprekend ook een triktrakbord en een schaakbord.

 Vele van deze lijsten zijn in het archief terechtgekomen en daar te raadplegen. Het is een verschrikkelijk vervelend en tijdrovend karwei, maar er zijn onderzoekers geweest die de moed hebben gehad duizenden lijsten door te spitten. En wat blijkt? Het aantal damborden was erg groot, veel groter bijvoorbeeld dan het aantal schaakborden. Een onderzoeker turfde uit lijsten van Amsterdammers vanaf ongeveer 1575 meer dan 106 triktrakborden en meer dan 106 damborden tegenover 8 schaakborden, en uit lijsten van Haarlemmers 43 triktrakborden en 43 damborden tegenover 4 schaakborden.

 Je hebt het vast niet in de gaten, maar met die lijsten is iets opmerkelijks aan de hand. De notaris of zijn klerk loopt door het huis, komt een spelbord tegen en zet de ene keer het woord dambord en de andere keer het woord schaakbord op zijn lijstje. De Franse heren op de tekening hierboven dammen op het 100-ruitenbord. Maar de plaat dateert uit de tijd tussen 1800 en 1850. In 1550 kende men het grote bord nog niet, toen damde men op het kleine bord, dat wil zeggen op het schaakbord. Vanaf het vierde kwart van de 16e eeuw vinden we op de notarislijsten zowel damborden als schaakborden. Kennelijk is er dan verschil tussen een dambord en een schaakbord. Wat voor verschil?

 De oplossing van dit raadsel ligt in een boek dat de in Noord-Holland wonende Daniël de Souter in 1617 publiceerde. De Nederlanders dammen meestal, aldus De Souter, op een bord met afwisselend licht en donker gekleurde ruiten. Beide spelers hebben 15 schijven. Hoeveel ruiten het bord telt zei De Souter niet, maar dat moeten er 100 zijn. Schakers benutten alle 64 velden van het schaakbord, wij slechts 32. Op het schaakbord kun je niet dammen met 30 schijven, probeer het maar uit.

 Waarom schreef De Souter, dat de Nederlanders meestal dammen op het grote bord? Wel, je hebt altijd mensen die vasthouden aan iets dat ze kennen, waarmee ze vertrouwd zijn. Tot ongeveer 1575 speelden dammers op het kleine bord, en tot ver in de 17e eeuw hielden sommigen daaraan vast.

 Toen het damspel van het kleine bord werd overgezet op het grote bord, veranderden de regels niet. Op het kleine bord mochten de schijven dus bijvoorbeeld achteruit slaan. Dat was in die tijd heel bijzonder, terugslaan met een schijf kwam in geen enkel ander land voor.

 Het oudste 100-ruitenbord dat we kennen wordt bewaard in het Westfries Museum in Hoorn, zie linksonder. De andere kant heeft een molenbord, zie de afbeelding rechtsonder. Het molenspel speel je met 2x9 schijven. De bedoeling is een molen te maken, dat wil zeggen drie schijven op een rij te krijgen. Lukt je dat, dan mag je een schijf van je tegenstander van het bord nemen. De maker heeft er een jaartal op geschilderd: 1696. Een laboratorium dat de ouderdom van kunstvoorwerpen vaststelt, heeft de echtheid van deze datum bevestigd: het bord is echt zo oud. Uit Noord-Nederland, vooral Noord-Holland, zijn tientallen borden van dit type bewaard gebleven.

 

Dammen op het grote bord met 2x20 schijven

 In de 17e eeuw gingen Nederlanders dammen met 2x20 schijven. Waar precies en wanneer precies weten we niet, waarschijnlijk in het derde kwart van de 17e eeuw, dus tussen 1650 en 1675. In het begin keken de meeste dammers daar vreemd tegen aan, ze stonden er negatief tegenover. Voor negatieve zaken hadden onze taal toen een scheldnaam: Pools. Van de doedelzak hielden onze voorouders niet, een doedelzak noemden ze een Poolse bok. In die tijd was het een verschrikkelijke schande als een ongetrouwde vrouw in verwachting was; ze moet een Poolse poep laten zei men dan. En zo waren er nog veel meer uitdrukkingen. Er is er één overgebleven: een vergadering die uitloopt in chaos heet een Poolse landdag.

 Na 1670 en vóór 1685 is Pools dammen in Frankrijk beland. Op twee manieren: via een langzame opmars naar het zuiden en rechtstreeks via de duizenden Nederlanders die in Frankrijk gingen werken. Ja heus, dat deden we. We leren bij geschiedenis over de Bartholomeusnacht. In 1572 waren de Franse protestanten, Hugenoten noemden ze zichzelf, uit heel Frankrijk voor een bruiloft naar Parijs gekomen. Die lui krijgen veel te macht, vond het overwegend rooms-katholieke deel van Frankrijk. In één nacht vermoordden katholieke fanaten vele tienduizenden protestanten. Wel 200.000 tot 300.000 wordt gedacht. Hieronder zie je hoe de protestante schilder Dubois zich de slachting voorstelde. De Hugenoten die niet waren vermoord vluchtten in paniek naar Duitsland en naar het protestante Nederland, waar ze veilig waren voor verdere vervolging.

 In Nederland is de tragedie van de Hugenoten nooit vergeten. 'Tienduizenden Fransen hebben zich in Nederland gevestigd', die gedachte zit in ons hoofd. Wij geloven dus meteen dat het 100-ruitendammen vanuit Frankrijk naar Nederland is gekomen, andersom wil er bij ons niet in. Maar die gedachte klopt niet: er zijn in het verleden veel meer Nederlanders naar Frankrijk geëmigreerd dan Fransen naar Nederland.

 Hoe zat dat? De Fransen konden geen schepen bouwen, hadden weinig schepen, en zagen jaloers toe hoe landen als Engeland, Nederland, Spanje en Portugal met hun vloten grote delen van Azië en Amerika veroverden. En oorlog voeren zonder schepen was ook een moeilijke zaak. De Franse koning stuurde daarom mannetjes naar Nederland om scheepsbouwers, touwslagers, timmerlieden en dergelijke over te halen in Frankrijk te gaan werken. Vooral in de Zaanstreek werkten duizenden mensen in de scheepsbouw. De meeste schepen waren besteld door Nederlandse reders, bijvoorbeeld de VOC (de Verenigde Oost-Indische Compagnie, die specerijen als peper en nootmuskaat uit Indië haalde). Maar er werd ook voor buitenlandse opdrachtgevers gebouwd. Bij tientallen togen Nederlanders naar Frankrijk. Alleen al in de stad Rouen bijvoorbeeld waren in 1685 500 Nederlanders ingeschreven in de burgerlijke stand. In 1645 klaagden inwoners van Nantes steen en been over de Nederlanders: die bezaten taveernen en logementen en kuiperijen (een kuiper maakt tonnen voor haring, voor vlees, voor wijn en dergelijke). In 1650 hadden Nederlanders in Nantes hun eigen wijk, en ze haalden steeds meer landgenoten naar de stad. In Bordeaux was het al even erg. De Fransen gingen dan ook de straat op om tegen al die Nederlanders te demonstreren: "Weg met die buitenlanders!".

 Je snapt: Nederlanders namen hun taal, hun gewoontes, hun manier van denken en hun spelletjes naar Frankrijk mee. Een van die spelletjes was het Pools dammen. De Franse vertaling van Pools damspel is jeu de dames à la polonoise, later polonaise. De Fransen begrepen die naam als "dammen uit Polen", en daar bouwde Manoury later dus een fantasieverhaal omheen.

 

Is ons damspel een Nederlandse vinding?

 Een aantal Nederlandse dammers heeft onderzoek gedaan naar dammen in het verleden of is daar nog mee bezig. We noemen Wendel Kruijswijk, Rob Jansen, Gerhard Bakker, Frank van Sterkenburg, Wim van Mourik, Arie van der Stoep, Govert Westerveld. Ondanks al het onderzoek weten we naar onze zin nog te weinig van dammen in Nederland. Maar aangezien er geen damhistorici in landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland zijn, is er van het dammen daar nog veel minder bekend. Vroeger werd in Duitsland heel veel gedamd, ook op het grote bord, misschien is het 100-ruitendammen daar wel uitgevonden. Maar zolang we niets van dammen in Duitsland weten, houden we het er maar op dat het in Nederland is ontstaan.

 

 

Waar komt het 64-ruitendammen vandaan?

 

 Voordat een creatieve dammer in de tweede helft van de 16e eeuw het bord vergrootte tot 100 velden, damden de Europeanen op het schaakbord. Dammen op het 64-veldenbord had overal in Europa dezelfde naam: in Nederland damspel, in Duitsland Damenspiel, in Frankrijk jeu de dames, in Spanje juego de damas, in Italië dama. Een dergelijke naam ontstaat niet in elke taal opnieuw. De naam wordt in een bepaald land bedacht en vervolgens door dammers in andere landen ontleend. Zo heet dat, een woord wordt ontleend aan een andere taal.

 We gaan uitzoeken in welke taal de naam is opgekomen, en in welke tijd. Was dat bijvoorbeeld in het Nederlands omstreeks 1350, dan kun je zeggen: "Het damspel op het schaakbord is opgekomen in Nederland in het midden van de 14e eeuw". En je zegt er onmiddellijk achteraan: "Misschien", want zeker weet je het nooit. De Duitsers kunnen wel eerder zijn geweest, maar toevallig zijn de teksten verloren gegaan waarin gesproken wordt over het Damenspiel. We zijn afhankelijk van wat toevallig bewaard is gebleven. Vreemd is dit niet. Voordat de boekdrukkunst werd uitgevonden werd elk boek geschreven met de ganzenveer. Daardoor bestonden er maar een paar exemplaren van een boek. Mensen erfden oude papieren en dachten: 'Wat moet ik ermee, ik maak er het fornuis mee aan'. Toen in de 15e eeuw de boekdrukkunst werd uitgevonden en er van één werk vele exemplaren werden gemaakt, bleef er meer bewaard.

 

In welke taal kwam de naam op, en wanneer?

 De twee oudste vindplaatsen komen uit het Frans, en de oudste dateert uit de tweede helft van de 14e eeuw.

 De op een na oudste vermelding is van begin 16e eeuw. In 1508 liet de Franse priester Eloy d'Amerval een boek drukken waarin hij schaken en dammen (jeu des dames) mooie spelen noemt omdat ze zonder dobbelstenen worden gespeeld. Dobbelen is van de duivel, dat keurde hij sterk af. 'Ik heb lang aan mijn boek gewerkt', aldus de schrijver, 'ik ben er in 1496 aan begonnen'. Je ziet, dammen en schaken waren eind 15e eeuw in Frankrijk algemeen bekende spelen, want Eloy veronderstelde dammen en schaken bij zijn lezers bekend.

 De oudste vermelding van het spel jeu de dames dateert van de tweede helft van de 14e eeuw. In de periode tussen 1380 en 1508 hebben we de naam nergens teruggevonden. Ook deze vermelding is Frans, maar ze staat in een Engelse tekst. Een Engelsman van wie we de naam niet kennen schreef rond 1380 een ridderroman die speelt in de tijd van keizer Karel de Grote, dat is de 9e eeuw. De roman heet "Sir Ferumbras". Hij beschrijft ergens hoe ridders hun tijd doorbrengen. Ze jagen met valken op vogels, met pijl en boog op herten, vossen en hazen, en trainen met speer en zwaard. Blijf je binnen op het kasteel, dan doe je een spelletje: je schaakt of damt of speelt het wedrenspel triktrak (tegenwoordig vaak backgammon genoemd): pleyeth to the eschekkere / & summe of hem to iew-de-dame: and summe to tablere. Hieronder zie je hoe het er volgens een tekenaar uit onze tijd aan het hof van keizer Karel toeging. Zou het echt zo zijn geweest?

 Weten we zeker dat de spelnaam jeu de dames in 1510 en 1380 hetzelfde betekende als tegenwoordig? Nou, niet voor 100% zeker maar toch wel voor minstens 97%. Dat getal danken we aan een Nederlandse programmeur en een Nederlandse taalkundige. In een immens groot computerbestand staan alle woorden die ooit in het Nederlands in de middeleeuwen zijn opgeschreven, mét hun betekenissen. In een ander immens bestand staan alle woorden die we vandaag gebruiken, mét hun betekenissen. De programmeur heeft een programma geschreven dat een nieuw bestand maakte van alle middeleeuwse woorden die wij nog gebruiken. Dat zijn er vele duizenden. De taalkundige heeft toen jarenlang geturfd hoeveel van die woorden al die tijd hun oorspronkelijke betekenis bewaard hebben. Dat is heel wat: meer dan 97%. Voor zelfstandige naamwoorden als dame is het percentage hoger, voor bijvoeglijke naamwoorden lager. Kortom, jeu de dames betekende in 1380 met meer dan 97% zekerheid 'dammen'.

 Een andere vraag is, waarom er in een Engelse roman een Franse spelnaam staat. Wel, toen een roman nog met de hand geschreven werd ˗dat heet een handschrift of manuscript˗, leerden voordrachtskunstenaars teksten uit het hoofd om deze voor te dragen op kastelen voor de adel of op marktpleinen voor het gewone volk. Als geheugensteuntje schreven de auteurs hun romans in rijmvorm. De schrijver van "Sir Ferumbras" had dringend een rijmwoord op het woord hame nodig (dat betekende 'huis', tegenwoordig zeggen de Engelsen home). Kende de schrijver dan Frans? Nou, reken maar. In de 11e eeuw raakte Engeland in oorlog met Frankrijk, met voor Engeland rampzalige gevolgen: Franse troepen staken het Kanaal over en hakten het Engelse leger in de pan. Eeuwenlang hadden de Fransen het in Engeland voor het zeggen. Een Engelsman die een beetje wilde meetellen leerde Frans, sprak Frans, droeg Franse kleding, las Franse romans. Het Engels bevat een vracht woorden die aan het Frans zijn ontleend. Vele Engelse romans waren vertalingen van Franse romans, ook "Sir Ferumbras". De schrijver kende omstreeks 1380 de Franse spelnaam jeu de dames. Conclusie: in deze tijd damden de Fransen op het schaakbord.

 

De eigenwijze Engelsen

 Gezien de grote invloed van de Franse cultuur op de Engelse cultuur zullen ook de Engelsen in die tijd wel op het schaakbord hebben gedamd. Ze hebben echter de Franse naam voor het spel niet overgenomen, en dat geeft te denken. Het dammen op het schaakbord, is dat misschien een Engelse vinding? We zullen er wel nooit achter komen.

 In ieder geval heette een potje dammen in Engeland in de 14e eeuw to play at the checker. Toegegeven, een bewijsplaats uit de 14e eeuw is er niet, want de twee oudst bewaard gebleven vermeldingen van de spelnaam dateren van begin 15e eeuw. Toen was dammen in Engeland een algemeen bekend spel. Een spel verspreidt zich niet van de ene dag op de andere over heel Engeland, daar zijn jaren voor nodig. Dus moeten het damspel en de naam play at the checker al in de 14e eeuw in Engeland bekend zijn geweest.

 We geven de twee oudste bewijsplaatsen van de spelnaam. De onbekende schrijver van het werk "Jacob's Well", vervaardigd rond 1410, waarschuwt zijn lezers voor de zonden waartoe de duivel hen probeert te verleiden. Zijn tijdgenoten spelen triktrak (backgammon), schaken en dammen. In het Engels van die tijd: pleyin at the tablys, at the chesse & the chekyr.  Spelletjes doen vond de schrijver heel erg, want dan kom je in de hel. Wat later, in 1426, was ook John Lydgate niet erg positief over wat hij om zich heen zag. Zondaars zijn het, die Engelsen. Weet je wat de lords (dat zijn in die tijd de ridders op hun kastelen, tegenwoordig mensen van adel) voor erge dingen doen? Stel je voor, Lords play at ches and the cheker. Later werden deze twee spelnamen eenvoudiger: to play chess, to play checkers, zeggen de Engelsen tegenwoordig. Het bleek al eerder: schaken en dammen waren beide tijdverdrijf voor de betere standen, de tekst van Lydgate bewijst het eens te meer.

 Wat bewijst het middeleeuwse plaatje hieronder? Twee jonge mensen uit de betere standen doen een spelletje. Het meisje is aan zet. De jongeman neemt ontspannen een slok wijn; in de middeleeuwen speelde men om de tijd te verdrijven. Wat wil je? Televisie bestond niet, er waren geen boeken, er waren nauwelijks wegen, uitgaan was er niet bij. De mensen verveelden zich te pletter. De plaat komt uit een Franse roman van 1470 over de jonge Ierse koningsdochter Isolde, die is uitgehuwelijkt aan een stokoude koning. Tristan, een knappe ridder van haar leeftijd, brengt haar per schip naar Europa. Je begrijpt het al: die twee worden straalverliefd. Maar het is geen Hollywoodfilm waarin de twee geliefden nog lang en gelukkig leven, het loopt tragisch met ze af. Het stel speelt op het schaakbord, dat is zeker. Maar zijn die twee nu aan het schaken of aan het dammen? Je ziet schaakstukken, maar de stukken staan opgesteld zoals in het dammen. En je kunt gemakkelijk dammen met schaakstukken. Want daarvan zijn er 2x16, en voor dammen op het kleine bord heb je er 2x12 nodig.

 Tussen haakjes, we lazen to play at the checker in 1410 en 1426 als 'dammen'? Is dat een betrouwbare interpretatie? Niet voor 100%. Maar to play checkers betekende later met zekerheid 'dammen'. En zie boven: meer dan 97% der zelfstandige naamwoorden had in de middeleeuwen dezelfde betekenis als tegenwoordig.

 

 

Vrij slaan, blazen en slagplicht

 

 Linksonder staat een probleem uit 1942, gemaakt door de Haarlemse problemist Aart de Zwart. Wit wint met 1. 32-27 2. 37-31 3. 30-24 4. 24x4 5. 4x7 6. 40-35 7. 35-30 8. 49x7 9. 7-2 10. 2x37 11. 16x36+. Deze combinatie is mogelijk door de regel van de slagplicht: je bent verplicht te slaan.

                                              

  In het diagram rechtsboven wint wit een schijf door 34-30. Ook met de blaasregel zou zwart een schijf verliezen. Hij kan wel weigeren te slaan, maar dan mag wit schijf 25 van het bord nemen.

 In de 14e eeuw bestond de blaasregel nog niet, je mocht toen zelf beslissen of je sloeg of niet. Dammen met vrij slaan is een heel ander spel dan dammen met verplicht slaan. Maar of het gemakkelijker of moeilijker is dan ons spel, weten we eigenlijk niet.

 Waarschijnlijk is de regel van het blazen opgekomen in de 15e eeuw. In het damboek dat de Fransman Pierre Mallet in 1668 uitgaf, noemt hij dammen met vrij slaan een flauw spelletje, een kinderspel. Dammen met de blaasregel vindt hij een veel mooier spel.

 Wanneer je ooit een oud damboek in handen krijgt, vind je daarin standen waarin wit wint door een combinatie. Dan is zwart wel verplicht te slaan. Een partij speelde men echter met blazen.

 

 

 

Dammen vóór de 14e eeuw

 

Een oudere naam voor damspel

 In de middeleeuwen bestonden er nog geen kruiswoordpuzzels, sudoku's en cryptogrammen, maar liefhebbers van puzzelen had je ook toen. Voor die mensen waren er raadsels, maar ook schaak-, triktrak- en molenpuzzels, die bij elkaar stonden in een handschrift. Damproblemen stonden er niet in. "Een bewijs", zeggen sommige damhistorici, "dat het damspel een vrij late uitvinding is". Deze redenatie klopt echter niet. Je kunt pas een dampuzzel maken wanneer je het verplichte slaan invoert. In de 14e eeuw bestond alleen vrij slaan, en dus had je ook geen dampuzzels.

 Het is voor meer dan 97% zeker dat men rond 1350 op het schaakbord ging dammen. Is ons spel in die tijd ontstaan, of bestond het al? Indien het al bestond, moet het dus van een ander soort bord zijn overgeplaatst op het schaakbord. Dat moeten we dus nagaan. Maar hoe?

 Er is maar één manier om erachter te komen: via de taal. Indien er vóór 1350 al werd gedamd, moet het spel een naam hebben gehad. Een spel verdwijnt nooit van de ene dag op de andere. In de 15e eeuw vond een creatieve dammer de blaasregel uit, maar twee eeuwen later damden sommige Fransen nog met de vrije slag. In de 14e eeuw kwamen de namen jeu de dames en checkers op, en dat waren nieuwe namen. Indien er al eerder werd gedamd, heeft dit damspel misschien nog eeuwen onder zijn oude naam voortgeleefd. Naar die naam moeten we dus zoeken.

 Linksonder een plaatje van het oudst bewaard gebleven damboek. Het komt uit Spanje. Je ziet de auteur: Lorenço Valls, en je ziet ook het jaar van uitgave: 1597. En ook de twee namen voor het spel in de titel: juego de las damas en marro de punta. Daar hebben we een oudere naam te pakken: marro.

 Het Frans, het Portugees, het Spaans en het Italiaans lijken op elkaar. We noemen ze Romaanse talen. Werd de naam marro ook in de andere Romaanse talen gebruikt?

 Kijken we naar het Italiaans. Het geruite bord rechtsonder komt uit een Italiaans boek van 1567, geschreven door Oratio Toscanella. Hij illustreert hoe het bord eruit ziet waarop zijn landgenoten het spel merlaro spelen. Tekenen was niet zijn sterkste kant, want het bord telt 6x8 ruiten. De Italiaan Pietro Carrera schreef in 1617 een schaakboek. Het spel dat in Spanje juego de las damas wordt genoemd, heet in Sicilië marella, aldus Carrera. Waar het Spaans marro had, had het Italiaans dus merlaro en marella.

 De oudere naam voor het damspel in het Frans was merelles. De Vlaming Mathias Sasbout vertaalt in zijn woordenboek van 1579 ieu de merelles door damspel. Zijn collega Levinus Hulsius publiceerde in 1631 een Frans-Duits-Italiaans-Latijn woordenboek. Het Franse jeu des merelles is in het Duits Damspiel, in het Italiaans giuoco di dama en in het Latijn scruporum ludus, 'spel der twaalf schijven'.

 We kennen nu een oudere naam voor het damspel. Onder deze naam werd nog een tweede spel gespeeld: het molenspel. De Italiaan Filippo Venuti gaf in 1575 een Italiaans-Latijn woordenboek uit. Daarin zegt hij: het spel smarella wordt gespeeld met 2x9 of met 2x12 schijven. In een boek dat de Fransman Jean Lefevre omstreeks 1370 publiceerde, beschrijft hij twee spelen die merelles heten. Bij merelles met 2x9 schijven gebruik je wel dobbelstenen. Merelles met 2x12 schijven wordt gespeeld zonder dobbelstenen. Je slaat een schijf door over een schijf van de tegenstander heen te springen, zegt Lefevre. Met de sprongslag, kort gezegd.

 Lefevre baseerde zich op een Latijns werk dat ruim een eeuw ouder was. Omstreeks 1250 werd er in Europa dus gedamd.

 

Een oud spel met de sprongslag

 We weten nu dat Frankrijk halverwege de 13e eeuw het damspel kende, en ook onder welke naam. En we weten dat het niet werd gespeeld op een geruit bord. Hoe zag dat bord eruit?

 Eind 13e eeuw gaf de Spaanse koning Alfonso opdracht alle spelletjes te beschrijven die zijn onderdanen speelden. Zijn klerken gingen aan het werk, en in 1284 boden ze hem een dik boek aan. De boekdrukkunst was nog niet uitgevonden, dus het boek bestond uit met de hand beschreven perkament ˗perkament is een dierenhuid die geschikt is gemaakt om erop te schrijven. Kunstenaars hadden prachtige tekeningen van spelletjes gemaakt.

 Het damspel komt in dit boek niet voor. Dat is opmerkelijk. In de middeleeuwen oefende Frankrijk grote invloed uit op andere landen. Franse romans werden in andere landen vertaald, de gebruiken van de Franse ridders elders nagevolgd. Spanje is een buurland van Frankrijk.

 

 

Een van de beschreven spelletjes heet alquerque de doze, letterlijk "alquerque van twaalf", dus 'alquerque met twaalf stukken'. Op de tekening hieronder zie je hovelingen het spel spelen met pionnen. De klerk die opdracht had gekregen de spelregels te beschrijven heeft z'n best gedaan, maar volledig zijn de regels niet. Je slaat door over een stuk van je tegenstander heen te springen en je mag per keer net zoveel stukken slaan als je kunt, dat is alles wat hij prijsgeeft. En als bijzonderheid: wie begint heeft licht nadeel, daarom bepaal je met de dobbelsteen wie er mag beginnen.

 Het handschrift beschrijft ook alquerque de tres en alquerque de nuevo. Alquerque de tres is molenspel met drie stukken, alquerque de nuevo is molenspel met negen stukken. De partij op de afbeelding hieronder zit in de eerste fase, de fase waarin de spelers om de beurt een pion op het bord plaatsen.

 Alquerque lijkt een Arabisch woord. Al is een Arabisch lidwoord, dat wordt door de Arabieren aan het zelfstandig naamwoord geplakt.

 Iemand die veel van taal weet, gaat rechtop in zijn stoel zitten. Het Romaans had één naam voor molenspel en dammen. Het Arabisch had één naam voor molenspel en een spel met de sprongslag waarvan de regels onvolledig zijn beschreven.

 

 

 

 

Over promoveren zwijgt de klerk, en het spel heeft ook niet de naam marro. Dat kan het geen dammen zijn, denk je. Maar dat is een overhaaste conclusie, want dit spel was wel degelijk dammen. Een taalkundige analyse bewijst het. Gemakkelijk is die analyse niet. Maar feiten uit de geschiedenis van het dammen boven water halen is nu eenmaal even moeilijk als feiten uit het leven van Floris V.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Wordt vervolgd)